Hij komt, Hij komt

Op zondag 12 december 2021 lazen we in de Boogkerk Matteüs 24. De preek daarover mocht natuurlijk niet te lang duren en zeker niet te ingewikkeld worden. Daarom werk ik in deze bijdrage verder uit wat ik in de preek in het kort gezegd heb. Het is best een lang eind, daarom heb ik het in drie delen geknipt (zie de drie blokken) en in korte stukjes (zie tabs) met steeds een nieuw kopje. Ik hoop dat je het boeiend vindt om te lezen. Mail me gerust als je vragen, aanvullingen of verbeteringen hebt!

Op de laatste woensdag van Jezus’ leven op aarde, de woensdag voor Goede Vrijdag, verlaat hij voor het laatst de tempel, samen met zijn leerlingen. Ze lopen de stad Jeruzalem uit, naar de Olijfberg. Intussen wijzen de leerlingen Jezus op de gebouwen van de tempel. In de versie van Marcus: ‘Meester, kijk eens, wat een enorme stenen en wat een imposante gebouwen!’ (Marcus 13:1).

Jezus geeft een schokkend antwoord aan de leerlingen, die vol bewondering zijn: ‘Hebben jullie dat alles goed gezien? Ik verzeker jullie: geen steen zal op de andere blijven, alles zal worden afgebroken!’ (Matteüs 24:2). Niet alleen de schokkende boodschap is opvallend, maar ook de precieze woorden die Jezus kiest. ‘Hebben jullie dat alles goed gezien?’ Letterlijk: ‘Zien jullie al die dingen (tauta panta)? Amen, ik zeg jullie (amen legō hymin): (…).’

Precies dezelfde woorden die ik cursief heb gemaakt, kiest Hij het eind van zijn lange antwoord: ‘Ik verzeker jullie: deze generatie zal zeker nog niet verdwenen zijn wanneer al die dingen gebeuren’ (Matteüs 24:34). Letterlijk: ‘Amen, ik zeg jullie (amen legō hymin): deze generatie zal zeker niet verdwenen zijn wanneer al die dingen (panta tauta) zullen gebeuren.’ Het einde spiegelt het begin, wat vaak een aanwijzing is dat er sprake is van een afgerond geheel

De eerste twee verzen van Matteüs 24 zijn ondubbelzinnig duidelijk: het gaat hier over de tempel in Jeruzalem. Wat een onvoorstelbaar imposant bouwwerk! Maar de Meester wijst in reactie op de bewondering van zijn leerlingen op iets dat nog veel meer onvoorstelbaar is: dat alles wordt afgebroken. Dit eerste deel van Jezus’ laatste rede loopt van Matteüs 24:1-35. Alle keren dat het daar gaat over ‘het einde’ vat ik dat op als ‘het einde van de tempel’.

Het tweede deel van Jezus’ laatste rede loopt van Matteüs 24:36-25:46. Daarin gaat het over Jezus’ tweede komst, terugkomst, wederkomst, komst in heerlijkheid, bij de voltooiing van deze wereld. Twee dingen vallen op in dat gedeelte. (1) Niemand weet wanneer dat zal zijn. (2) Het is belangrijk om klaar te staan. Dat laatste maakt Jezus duidelijk met maar liefst vier gelijkenissen.

In Matteüs 24:1-35 gaat het naar mijn overtuiging over het einde van de tempel. Vaak wordt gedacht dat het (ook) gaat over het einde van de wereld. Dat komt doordat de leerlingen van Jezus ons op dat spoor zetten met hun vraag. ‘Vertel ons, wanneer zal dat allemaal gebeuren en aan welk teken kunnen we uw komst (hè parousia) en de voltooiing van deze wereld herkennen?’

Vergeet niet dat de leerlingen van Jezus Joden waren. Voor het volk Israël was het einde van de tempel het einde van de wereld. Terwijl Jezus dus sprak over het einde van de tempel, plakken de leerlingen daar de vraag aan vast aan welk teken ze het eind van de wereld kunnen herkennen. Als ik het goed lees, dan houdt Jezus die beide vragen uit elkaar, en beantwoordt hij die achter elkaar. Voor hem is het einde van de tempel niet het einde van de wereld. Hij geeft eerst uitgebreid antwoord op de vraag over het einde van de tempel. Dan pas gaat hij verder met zijn komst en de voltooiing van de wereld.

Jezus geeft eerst een tekening van de tijd die voorafgaat aan het einde van de tempel. Dat is het gedeelte van Matteüs 24:4-14. Het zal een tijd zijn van oorlog, oorlogsdreiging, hongersnoden, aardbevingen, valse messiassen en valse profeten. Dat is een tekening die prima past bij de jaren tussen Jezus’ sterven en opstanding (30 of 33 na Christus) en de verwoesting van de tempel (70 na Christus).

Dat blijkt uit bronnen buiten de Bijbel, maar het is ook te vinden in de Bijbel zelf. Een voorbeeld van een aardbeving kun je vinden in Handelingen 16:26: ‘Plotseling deed zich een hevige aardschok voor, zodat de gevangenis op haar grondvesten trilde; alle deuren sprongen open en bij iedereen schoten de boeien los.’ Een voorbeeld van een hongersnood is enkele hoofdstukken eerder te vinden: ‘In diezelfde tijd kwamen er vanuit Jeruzalem profeten naar Antiochië. Een van hen, die Agabus heette, voorspelde door de Geest dat de wereld door een grote hongersnood zou worden getroffen, iets dat tijdens de regering van Claudius inderdaad gebeurd is’ (Handelingen 11:27-28). Keizer Claudius regeerde van 41-51 na Christus.

Maar hoe zit het dan met Matteüs 24:13: ‘Maar wie standhoudt tot het einde, zal worden gered’? Wij denken bij redding al snel aan het verlossende werk van Jezus. Dat gecombineerd met ‘het einde’ brengt ons al gauw bij voorstellingen over onze verlossing op de jongste dag. Maar in het kader van Jezus’ antwoord ligt het voor de hand dat het gaat om redding uit doodsgevaar. In de jaren tussen Jezus’ sterven, opstanding en hemelvaart enerzijds en de verwoesting van de tempel anderzijds vond veel vervolging, grote verdrukking plaats. Denk aan Stefanus die door de Joodse leiders gedood werd om zijn geloof. Denk aan Jakobus, de broer van Johannes, die door de Romeinse overheid gedood werd om zijn geloof.

En dan komt Matteüs 24:14: ‘Pas als het goede nieuws van het koninkrijk in de hele wereld wordt verkondigd als getuigenis voor alle volken, zal het einde komen.’ Dat moet toch wel over de jongste dag gaan? Het lijkt veel op wat Jezus aan het eind van Matteüs zegt: ‘En houd dit voor ogen: Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld’ (Matteüs 28:20). Toch is dit niet hetzelfde. Het is het verschil tussen het einde (to telos) en de voltooiing (hè synteleia). Het einde vat ik op als het einde van de tempel. De voltooiing wijst op de voltooiing van de wereld.

Maar hoe zit het dan met het goede nieuws van het koninkrijk? Er staat hier toch dat het einde komt als dat evangelie verkondigd is als getuigenis voor alle volken? Dat klopt, maar ik denk niet dat je daarbij moet denken aan alle volken als in: van Lapland tot Nieuw-Zeeland. Paulus kan al vóór het jaar 60 na Christus tegen mensen in Kolosse (zeg maar: Griekenland) zeggen: ‘We hebben over uw geloof in Christus Jezus gehoord en over uw liefde voor alle heiligen; beide komen voort uit de hoop op wat in de hemel voor u klaarligt. Daarover hebt u gehoord toen aan u de waarheid verkondigd werd en het evangelie u bereikte. Overal in de wereld draagt het vrucht en groeit het, ook bij u’ (Kolossenzen 1:4-6). Denk ook nog even terug aan die tekst over de hongersnood tijdens de regering van keizer Claudius: ‘(…) dat de wereld door een grote hongersnood zou worden getroffen (…)’ (detail: de NBV vertaalt met ‘de wereld’, de Griekse tekst heeft letterlijk ‘de hele wereld’).

De hele wereld in Matteüs 24 (en in Kolossenzen 1 en Handelingen 11) komt niet precies overeen met wat wij denken bij de hele wereld. Wij zien dan al gauw de hele planeet met al haar continenten voor ons. In Matteüs, Handelingen en Kolossenzen gaat het over de hele bewoonde wereld, de wereld van die dagen. Zeg maar: de wereld rondom de Middellandse Zee en het Midden-Oosten, het Romeinse Rijk van die dagen. Tussen 30 en 70 na Christus is het evangelie daadwerkelijk verspreid in die hele bewoonde wereld.

Ik geloof dus dat Jezus in het hele eerste deel van Matteüs 24 spreekt over het einde van de tempel en de periode die daaraan voorafgaat. Over dat einde van de tempel spreekt hij vanaf Matteüs 24:15: ‘Wanneer jullie dus de “verwoestende gruwel” waarover gesproken is door de profeet Daniël, zien staan op de heilige plaats (lezer, begrijp dit goed) (…).’ Hoe belangrijk dit is, zie je aan het commentaar dat de schrijver, Matteüs, eraan heeft toegevoegd: ‘Lezer, begrijp dit goed.’

In Daniël 9:27, Daniël 11:31 en Daniël 12:11 gaat het over deze ‘verwoestende gruwel’. Het is wel duidelijk dat deze profetie van Daniël verwijst naar een gebeurtenis die uiteindelijk in 167 vóór Christus plaatsgevonden heeft. In dat jaar heeft een zekere Antiochus Epifanes de stad Jeruzalem veroverd en in de tempel een altaar voor afgoden bovenop het brandofferaltaar geplaatst. Op dat altaar liet hij varkens (onrein!) offeren.

Die profetie van Daniël en die afgrijselijke gebeurtenis uit de geschiedenis van Israël gebruikt Jezus nu om de vreselijke climax te beschrijven van ‘een tijd van grote verdrukking’ (Matteüs 24:21). Dat het niet voor de hand ligt om hier te denken aan de voltooiing van de wereld, maar wel aan het einde van de tempel, vloeit voort uit de beschrijving: ‘Dan moet iedereen in Judea de bergen in vluchten’ (Matteüs 24:16). Het gaat over een specifieke tijd en een specifieke omgeving.

Dat wordt nog helderder in Matteüs 24:21: ‘Het zal een tijd van grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is sinds het ontstaan van de wereld tot nu toe, en ook niet meer zal komen.’ Het gaat hier om een historische gebeurtenis: een gebeurtenis met een periode ervoor en erna. Dat kan bij voltooiing van de wereld moeilijk het geval zijn.

Voor wie het interessant vindt: wat Jezus hier voorzegt, is beschreven door de Joodse historicus Flavius Josefus in zijn boek De Joodse Oorlog (de vertaling van Meijer en Wes is een aanrader).

Deze tijd van verdrukking en oorlog leidt tot de komst van vele valse profeten en valse messiassen. Bij wijze van flash forward laat Jezus zien dat zijn eigen komst heel anders zal zijn dan de komst van deze valse messiassen. ‘Want zoals de bliksem de hemel van oost tot west verlicht, zo zal de Mensenzoon komen’ (Matteüs 24:27). Letterlijk staat er: ‘(…) zo zal de komst (hè parousia) van de Mensenzoon zijn.’ Dit is de enige keer dat Jezus in dat lange eerste deel, over het einde van de tempel, iets zegt over zijn eigen komst. Ik denk dat hij dat doet om een contrast te laten zien. Het einde van de tempel is niet een soort teken van zijn komst. Het einde van de tempel is niet een soort bliksem zodat je weet dat de donder snel zal volgen. Nee, de komst van Jezus zal zelf als de bliksem zijn. Opeens, indrukwekkend, flitsend en voor velen beangstigend. Bovendien verlegt hij met deze uitspraak het perspectief van wat er gebeurt op de aarde naar wat er gebeurt in de hemel.

In Matteüs 24:15-28 beschrijft Jezus het akelige einde van de tijd van grote verdrukking vanuit aards perspectief: de heilige plaats, Judea, de bergen, het dak van je huis, de winter, de sabbat, hier of daar, de woestijn. Ik vat Matteüs 24:29-31 zo op dat hij datzelfde akelige einde nog een keer beschrijft, maar dan vanuit hemels perspectief: zon, maan, sterren, hemelse machten, wolken, engelen, hemelkoepel.

‘Meteen na die tijd van verdrukking zal de zon verduisterd worden en de maan geen licht meer geven, de sterren zullen uit de hemel vallen en de hemelse machten zullen wankelen’ (Matteüs 24:29). Dit gebruik van ‘kosmische beelden’ leidt er al gauw toe dat je denkt aan een soort grote, kosmische apotheose van de wereldgeschiedenis.

Maar voor mensen uit het volk Israël van die dagen was het niet ongebruikelijk om dit soort kosmische beelden te gebruiken voor historische gebeurtenissen. De oudtestamentische profeet Jesaja deed dat al: ‘Kom naderbij, volken, en hoor toe, naties, luister aandachtig. Hoor, aarde en wie haar bewonen, wereld en al wat daarop groeit. De HEER koestert woede tegen alle volken, zijn toorn ontbrandt tegen heel hun legermacht. Hun wacht de vernietiging, Hij heeft hen voor de slacht bestemd. Gesneuvelden blijven onbegraven liggen, de stank van hun lijken stijgt op; de bergen druipen van hun bloed. De sterren aan de hemel vergaan, als een boekrol wordt de hemel opgerold. Alle sterren vallen neer, zoals bladeren vallen van een wijnstok of verschrompelde vruchten van een vijgenboom. Want mijn zwaard verschijnt aan de hemel. Het valt neer op Edom, als een oordeel over het volk dat mijn banvloek treft’ (Jesaja 34:1-5). In kosmische beelden wordt hier het oordeel over Edom, een historische gebeurtenis, beschreven.

Op eenzelfde soort manier beschrijft Jesaja het oordeel over Babylonië: ‘De sterren aan de hemel geven geen licht meer, sterrenbeelden doven uit, de zon is verduisterd als ze opkomt, het licht van de maan is verdwenen. (…) Ik zal de hemel doen sidderen, de aarde raakt bevend van haar plaats op de dag van de HEER van de hemelse machten, de grimmige dag van zijn brandende toorn’ (Jesaja 13:10 en 13).

In kosmische beelden worden hier historische situaties aangekondigd. Iets daarvan is voor ons herkenbaar als je kijkt naar uitdrukkingen in onze taal als: ‘een politieke aardverschuiving’ of ‘een revolutionaire omwenteling’.

Dat brengt ons bij misschien wel het meest ingewikkelde vers van Matteüs 24. ‘Dan zal het teken van de Mensenzoon verschijnen aan de hemel, en alle volken op aarde zullen zich van ontzetting op de borst slaan als ze de Mensenzoon zien komen op de wolken van de hemel, bekleed met macht en grote luister’ (Matteüs 24:30). Voor velen is het vanzelfsprekend dat Jezus hier spreekt over de komst van de Mensenzoon op de wolken van de hemel, dus bij de voltooiing van de wereld.

Ik denk dat het hier niet gaat over een terugkomst en ook niet over een komst uit de hemel. Integendeel: volgens mij gaat het hier over een aankomst en een komst in de hemel. Jezus citeert hier namelijk opnieuw uit Daniël. In Daniël 7 gaat het over een nachtelijk visioen van de profeet Daniël: ‘In mijn nachtelijk visioen zag ik dat er met de wolken van de hemel iemand kwam die eruitzag als een mens. Hij naderde de oude wijze en werd voor Hem geleid. Hem werden macht, eer en het koningschap verleend, en alle volken en naties, welke taal zij ook spraken, dienden hem. Zijn heerschappij was een eeuwige heerschappij, die nooit ten einde zou komen, zijn koningschap zou nooit te gronde gaan’ (Daniël 7:13-14). Letterlijk staat er: ‘In een nachtelijk visioen zag ik op de wolken van de hemel iemand als een mensenzoon komen.’ Daniël spreekt dus over een mensenzoon die op de wolken in de hemel aankomt en daar voor de oude wijze geleid wordt.

Jezus betrekt deze woorden op zichzelf. Terwijl op aarde dus het einde van de tempel ingeluid wordt, wordt in de hemel het koningschap van de Mensenzoon ingeluid. Dezelfde woorden gebruikt Jezus als hij een paar dagen later voor de hogepriester Kajafas staat: ‘De hogepriester zei: “Ik bezweer U bij de levende God: zeg ons of U de messias bent, de Zoon van God.” Jezus antwoordde: “U zegt het. Maar Ik zeg tegen u allen hier: vanaf nu zult u de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Machtige en Hem zien komen op de wolken van de hemel”’ (Matteüs 26:63-64). Precies deze uitspraak van Jezus leidt tot zijn terdoodveroordeling aan het kruis.

Met recht is hier sprake van een politieke aardverschuiving, een revolutionaire omwenteling. De aanwezigheid van God verplaatst zich van de hogepriester en de tempel in Jeruzalem naar de Mensenzoon aan de rechterhand van de Machtige in de hemel.

Jezus citeert in Matteüs 24:30 niet alleen uit de profeet Daniël, maar ook uit de profeet Zacharia. Hij zegt: ‘Dan zal het teken van de Mensenzoon verschijnen aan de hemel, en alle volken op aarde zullen zich van ontzetting op de borst slaan als ze de Mensenzoon zien komen op de wolken van de hemel, bekleed met macht en grote luister’ (Matteüs 24:30). Zacharia profeteerde eeuwen eerder al: ‘Het huis van David en de inwoners van Jeruzalem echter zal Ik vervullen met een geest van mededogen en inkeer. Ze zullen zich weer naar Mij wenden, en over degene die ze hebben doorstoken, zullen ze weeklagen als bij de rouw om een enig kind; hun verdriet zal zo bitter zijn als het verdriet om een eerstgeborene. (…) Het hele land zal rouwen: de nakomelingen van David en die van Natan, de nakomelingen van Levi en die van Simi, en alle overige families, elke familie afzonderlijk en de vrouwen steeds afzonderlijk van de mannen’ (Zacharia 12:10-14). Het woord dat hier vertaald zijn met ‘nakomelingen’ en ‘families’ is het woord dat meestal vertaald wordt met ‘stam’. Wat tekent Zacharia dus? Alle stammen in het hele land zullen weeklagen en rouwen (letterlijk zegt Zacharia: ze zullen zich op de borst slaan) om iemand die ze doorstoken hebben.

Daarom denk ik dat je dit vers, waarin Jezus uit Daniël en Zacharia citeert, beter als volgt kunt vertalen: ‘Dan zal blijken dat het teken van de Mensenzoon in de hemel is: “Dan zullen alle stammen van het land zich op de borst slaan” (Zacharia 12:10 en 12) en zullen ze “de Mensenzoon zien komen op de wolken van de hemel” (Daniël 7:13) met macht en veel luister.’

De leerlingen vroegen Jezus op de Olijfberg naar een teken. ‘Vertel ons, wanneer zal dat allemaal gebeuren en aan welk teken kunnen we uw komst en de voltooiing van deze wereld herkennen?’ (Matteüs 24:3). Jezus’ antwoord op de vraag naar het teken is dus een verwijzing naar zichzelf. Het is geen teken dat je ziet door te kijken naar gebeurtenissen op aarde. Het is een teken dat je ziet door te kijken naar de Mensenzoon die met de wolken van de hemel zijn troonzaal binnengaat.

Denk nog even terug aan wat Jezus twee dagen later tegen de hogepriester Kajafas zegt: ‘Vanaf nu zult u de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Machtige en Hem zien komen op de wolken van de hemel’ (Matteüs 26:64). Let op die eerste twee woorden: ‘Vanaf nu’. Op basis daarvan concludeer ik dat het hier niet gaat over voltooiing van de wereld, maar over iets wat Kajafas en de zijnen gaan meemaken.

Jezus sluit het hemelse perspectief op de tijd van grote verdrukking af met een verwijzing naar de engelen. ‘Dan zal Hij zijn engelen uitzenden, en onder luid bazuingeschal zullen zij zijn uitverkorenen uit de vier windstreken bijeenbrengen, van het ene uiteinde van de hemelkoepel tot het andere’ (Matteüs 24:31). Het vers begint in de Nieuwe Bijbelvertaling met ‘dan’, alsof het verwijst naar een bepaald moment. Daardoor wordt het vaak betrokken op de voltooiing van de wereld, als Jezus terugkomt om te oordelen de levenden en de doden.

Maar in de oorspronkelijke tekst staat ‘dan’ er niet. ‘Hij zal zijn engelen uitzenden’. Hij stuurt zijn boden eropuit. Als het klopt dat Jezus een tekening biedt van wat er tussen 30 of 33 en 70 na Christus gaat gebeuren, dan past dit in het hemelse perspectief op deze periode. In die decennia gaat het evangelie de wereld van het Romeinse Rijk door en worden de uitverkorenen bijeengebracht. Het boek Handelingen en de brieven in het Nieuwe Testament beschrijven precies hoe dat in zijn werk gaat. Van oost tot west in aards perspectief, van het ene uiteinde van de hemelkoepel tot het andere in hemels perspectief. Dit vers loopt parallel met het steeds terugkerende refrein in Openbaring 2 en 3: ‘Schrijf aan de engel van de gemeente in (…).’

En het bazuingeschal is dan vanuit hemels perspectief wat vanuit aards perspectief de verkondiging van het evangelie is. Zoals een sirene bovenop een hoog gebouw of een noodoproep op je mobiele telefoon, was een bazuin een alarminstrument. Wees alert, als je het er levend van af wilt brengen, zorg dan dat je klaarwakker bent en klaar staat!

Zo beschrijft Jezus het einde van de tempel in een lang betoog. Hij begint met de aanloop, een periode van grote verdrukking (Matteüs 24:4-14). Daarna beschrijft hij vanuit aards perspectief het schokkende einde van deze periode (Matteüs 24:15-28). Tot slot beschrijft hij vanuit hemels perspectief hoe het einde van de tempel een nieuw begin betekent (Matteüs 24:29-31). Er gaat een revolutionaire omwenteling, een politieke aardverschuiving van ongekende proporties plaatsvinden. De tempel zal worden verwoest en de Mensenzoon zal plaatsnemen op zijn troon. De mensen zullen niet meer naar Jeruzalem komen, maar de engelen zullen uitgezonden worden tot aan de uiteinden van de aarde. En dat alles zal plaatsvinden binnen één generatie: ‘Ik verzeker jullie: deze generatie zal zeker nog niet verdwenen zijn wanneer al die dingen gebeuren’ (Matteüs 24:34).

Want ik neem aan dat de leerlingen van Jezus niet ouder waren dan hun leermeester. In het Duits heten Petrus, Jakobus, Johannes en de anderen veelzeggend Jünger: jongeren. Als het zo is dat Petrus een jaar of 25 was, daar op de Olijfberg in het jaar 30 of 33, dan moet hij tussen de 60 en 65 geweest zijn toen de tempel verwoest werd. Daarmee vat ik ‘deze generatie’ niet figuurlijk op, zoals meestal gedaan wordt, maar letterlijk. Zo geeft Jezus mijns inziens een helder antwoord op het eerste deel van de vraag van zijn leerlingen: ‘Vertel ons, wanneer zal dat allemaal gebeuren?’ (Matteüs 24:3).

Jezus zet zijn woorden kracht bij met een vergelijking. Zoals zo vaak wordt zijn betoog helderder doordat hij gebruik maakt van een gelijkenis. Zo besluit hij zijn antwoord met het beeld van een vijgenboom: ‘Leer van de vijgenboom deze les: zo gauw zijn takken uitlopen en in blad schieten, weet je dat de zomer in aantocht is’ (Matteüs 24:32). Als de vijgenboom begint te bloeien, moet het bijna zomer zijn. En dan past Jezus dat toe op ‘al die dingen’ (panta tauta): ‘Zo moeten jullie ook weten, wanneer je dat alles ziet, dat Hij in aantocht is en heel dichtbij’ (Matteüs 24:33).

Vergelijk hier de Nieuwe Bijbelvertaling 2021 eens met de Nieuwe Bijbelvertaling uit 2004. ‘Zo moeten jullie ook weten, wanneer je dat alles ziet, dat het einde nabij is.’ Wat een verschil. In 2004 betrok men ‘dat alles’ of ‘al die dingen’ (panta tauta: oorlogen, hongersnoden, aardbevingen, enz.) nog op ‘het einde’. In 2021 heeft men ervan gemaakt: ‘dat Hij in aantocht is en heel dichtbij’. Letterlijk staat er: ‘Zo ook jullie, wanneer jullie al die dingen zullen zien, weet dan dat hij/zij/het dichtbij is, voor de deur staat.’ In 2004 is ‘het’ geïnterpreteerd als ‘het einde’. In 2021 heeft men ‘het’ opgevat als ‘hij’ (grammaticaal correct). Ik denk dat dit ‘het’ moet zijn, een verwijzing is het einde van de tempel. Zoals een uitbottende vijgenboom de zomer aankondigt, zo kondigen al die dingen het einde van de tempel aan.

Hiermee heeft Jezus een antwoord gegeven op de vraag van de leerlingen: ‘Vertel ons, wanneer zal dat allemaal gebeuren en aan welk teken kunnen we uw komst en de voltooiing van deze wereld herkennen?’ (Matteüs 24:3). Wanneer zal dat allemaal gebeuren? Nog voordat deze generatie verdwenen zal zijn. Maar, zoals we zagen, de leerlingen plakten er een vraag aan vast. Dat deden ze omdat ze dachten dat het einde van de tempel ook de voltooiing van de wereld zou zijn.

Maar als ik het goed lees, laat Jezus dus zien dat het einde van de tempel niet hetzelfde is als de voltooiing van deze wereld. Na het lange antwoord over het einde van de tempel geeft hij nu antwoord op het tweede deel van de vraag die de leerlingen hem stelden: ‘Aan welk teken kunnen we uw komst en de voltooiing van deze wereld herkennen?’ Het antwoord van Jezus luidt: ‘Niemand weet wanneer die dag en dat moment zullen aanbreken, ook de hemelse engelen en de Zoon niet, alleen de Vader weet het’ (Matteüs 24:36).

Daar zit een tegenstelling in. Iedereen weet: zodra een vijgenboom uitloopt, dan is de zomer in aantocht. Maar niemand weet wanneer die dag aanbreekt. De Griekse tekst wijst op een nieuw thema, op een groot: ‘Maar …’ ‘Maar over die dag en dat uur weet niemand iets.’

De bewoordingen die Jezus gebruikt zijn nu ook anders. De leerlingen vroegen naar Jezus’ komst (hè parousia). Dat woord werd in het lange antwoord over het einde van de tempel maar één keer gebruikt: in de flash forward, toen Jezus zei dat zijn komst zou zijn als de bliksem. Nu spreekt hij daar uitgebreider over.

Jezus vergelijkt zijn komst met de tijd van Noach, vlak voor de zondvloed: ‘Zoals het was in de dagen van Noach, zo zal het zijn wanneer de Mensenzoon komt’ (Matteüs 24:37). Letterlijk staat er: ‘(…) zo zal de komst (hè parousia) van de Mensenzoon zijn.’ Het lijkt alsof er niks aan de hand is, alsof het leven zijn gewone gangetje gaat, alsof alles business as usual is: ‘Want zoals men in de dagen voor de vloed at en dronk, trouwde en uithuwelijkte, tot aan de dag waarop Noach de ark binnenging, en niemand wist wat er gebeuren zou, totdat de vloed kwam die iedereen wegnam, zo zal het ook zijn wanneer de Mensenzoon komt’ (Matteüs 24:38-39). En opnieuw staat hier letterlijk: ‘(…) zo zal de komst (hè parousia) van de Mensenzoon zijn.’

Jezus’ leerlingen willen graag een teken. Ze krijgen geen teken van Jezus’ terugkomst, maar een teken van zijn aankomst. Zijn aankomst op de wolken van de hemel, zijn troonsbestijging, zijn regering aan de rechterhand van de Machtige zal ultiem worden onderstreept door het einde van de tempel. Maar van zijn komst bij de voltooiing van de wereld is er net zomin een teken als in de dagen van Noach. ‘Wees dus waakzaam, want jullie weten niet op welke dag jullie Heer komt’ (Matteüs 24:42). En dat herhaalt hij nog een keer, voordat hij aan het eind van Matteüs 24 en in Matteüs 25 zich gaat richten op het gedrag van zijn leerlingen. ‘Daarom moeten ook jullie klaarstaan, want de Mensenzoon komt op een tijdstip waarop je het niet verwacht’ (Matteüs 24:44).

In de eerste plaats om ons verstand op te scherpen. Het is belangrijk (en voor veel mensen ook boeiend) om de woorden van Jezus zo goed mogelijk te begrijpen. Als je ziet hoe ongelooflijk scherp en liefdevol Jezus tot zijn leerlingen spreekt, dan helpt dat ook ons om hem te vertrouwen. Omgekeerd gezegd: als er allerlei hoofdstukken in de Bijbel overblijven waarvan je moet zeggen: ‘Ik snap het niet, ik vind het vaag, het lijkt niet te kloppen, het lijkt tegenstrijdig’, dan kun je al gauw gaan denken dat het hele christelijk geloof niet te snappen is, of vaag, dat het niet lijkt te kloppen of tegenstrijdig is.

In de tweede plaats om ons hart sneller te laten kloppen. Misschien dacht je tot nu toe wel: Jezus komt toch pas terug als het helemaal de verkeerde kant op gaat met deze wereld. Tegen de tijd dat het zover is dat er hier oorlog uitbreekt of dat ik opeens wel heel veel over hongersnood en rampen hoor of dat de zon echt minder fel begint te schijnen – tegen die tijd ga ik wel serieus werk maken van mijn geloof. Dan is het belangrijk om ervoor te zorgen dat je hart nu al sneller gaat kloppen. Wat nu als het plaatje dat zo vaak getekend wordt, niet klopt? Wat als Jezus’ komst letterlijk morgen of volgende week is? Als je daar rekening mee houdt, dan ontstaat er een gezonde spanning in je leven. Een beetje zoals bij Sinterklaas, of wanneer je bijna jarig bent of met vakantie gaat: ‘Vol verwachting klopt ons hart…’

In de derde plaats om je aan te zetten tot daden. Als je het laatste gedeelte van Matteüs 24 en heel hoofdstuk 25 leest, dan ontdek je hoe belangrijk het is dat jij hetzelfde doet als Jezus. Hij vertelt daarover in de gelijkenis van de (on)betrouwbare dienaar, de gelijkenis van de vijf verstandige en de vijf onverstandige meisjes, de gelijkenis van de talenten en de gelijkenis van schapen en de bokken (al kun je erover twisten of je die laatste wel een gelijkenis moet noemen). In elk van die gelijkenissen licht de volle nadruk op je gedag. Ben je waakzaam? Sta je klaar?

 

 

Amersfoort, 14 december 2021

René Barkema